144
werd toch al een pummel van zeventien! Moest hij nou nóg opener poekelen?
— Vat je... 'n gemeen soldaat is d'r ook al 'n generaal van ondere af!... schertste de Bochel weer. Plóts besefte Aafje iets en het fonkelde fel in het open-gesperde oog van Manus. Eindelijk,... zuchtte hij en hij zoog een heele hemelwolk witten rook uit zijn ganzepoot.
Een schuwe ontzetting overhuiverde Aafje's gezicht nu ze wist. Dadelijk wou ze weghollen! Haar stem smeekte naar Manus.
— Hier ... eers 't gouwe tikkertje fan je vader ... zei de Bochel ijselijk bedaard en koel tégen haar tranen in. En toch rilde hij inwendig, als bij het hooren van een trompet-fanfare in de kazerne. Hij had besloten Aafje zélf naar den trein te brengen. Toen hij het haar ijzig-koel zei, huilde ze van blijdschap en een jubel schoot door al haar bewegingen. Ze had het dwarse, breedgebuilde hoofd van Manus wel tegen heur gezicht willen drukken. Manus voelde haar vreugde in de stem bij elk woord dat ze nu uitbracht. Al zou hij er voor zweeten, het deerde niet. Hij, Manus Peet, was toch ook eéns als een onbelachen kleuter op den schoot van zijn moeder aan het hupsen geweest. Het leek toch wel leuk om zoo een borduursel van den Heere,... zoo een deern uit de klauwen van grauwe Jet wég te kapen. Trein of Jan Klaassen, het rnoch één pot nat zijn, een liederlijke poppenkast, de hééle ongansche wereld, ... het was toch ״kedin" wat hij nou deed. Dat had ze aan Rika te danken. Zijn kop bleef hij toch helder houden. En godstergend bedaard zou hij blijven, straks tegen Jet. Zijn heele klucht met dit juffie kon hij inorgen vergeten wezen. En terwijl hij haar naar den trein bracht, zou hij een leugenkorfje vlechten voor Jet, zoó fijn dat ze er toch inliep en het bedrog ging dulden voor een maandje. Moest ze maar niet een dwarstrekker als hij moedwillig op raapzaad uitsturen.
— Hei je alles wat je had toe je hier kwam?... vroeg hij Aafje en toen ze ja knikte ging hij haar op de morsige