14 3
droom ... het tafeltje van tiktak-wafeltje ... De stem van het niesse begoochelde hem. Ze sprak zoo week, net een tooneelgeluid ... Maar wat een malle slotenmaker was hij nou. Kom,... Amalia ... ״ik lus fan me lefe geen pisangs meer!".,. Zoo een deuntje tusschen zijn lippen,... zoo een suikerdopper! Maar al schold Manus zich de huid vol en al schuurde hij den spot vlak langs zijn hart, het bleef raar in hem draaien. Wacht, nu zag hij het heel duidelijk. Het wicht leek zoó, in de dwarste, sprekend op Rika. Dat was het! Oók van dié meid had hij toch vannacht zoo klaar als een sterrenhemel gedroomd. Nou begreep hij het roerende en prangende van zijn koesterende herinnering, die maar niet het lieve en bedeesde gezicht van Aafje los wou laten. — Kreupele nar die hij was, verloor hij nu ook al zijn verstand? Wou hij zich noü nog vermaken met het oppeuzelen van een zóó blond sla'tje?
Van al haar lotgevallen had Aafje hakkelend gesproken, dan hier, dan daar op aanspringend in lieve argeloosheid. Toen ze zweeg keek Manus doodstil en bewegingloos voor zich uit. Zelfs de uiterste punt van zijn lange sigaar in den ganzepoot trilde geen oogenblik. Eindelijk zei hij driemaal gedachteloos:
— Goed, goed... goed.
En plots viel hij weer barsch uit naar Aafje:
— Je gaat naar de trein!
— Trein? ... schrok Aafje.
— Naar huis,... verduidelijkte Manus.
— Jezus meneer!... vader!... hij trapt me half dood!
— En hier,... zei hij met zware dreiging in de stem... trapt Jet je heelemaal dood!
Aafje keek ontzet rond... Ze vatte er nog niet veel van.
— Bi je nog al gaar op dat punt?... vroeg Manus onwillig:
Aafje begreep zijn bedoelingen nog niet. Weer vroeg hij of ze wat althans in haar pit had en hij probeerde haar in kiesche en bedekte termen uit te leggen, waar ze was en wat de ״juffrouw" met haar voor had. Wat drommel, het