140
— Stóp!... brak Manus af,... sooveel hoefbeslag heb alleen de rijkdom... Aafje is nét an!
Manus deed zijn best om vriendelijk en zacht te spreken. Hij begreep zoo klaar dat een meisje, onder die omstandigheden, van een gewrocht als hij, wel erg ontstellen moest. Tóch hield hij zich voor:... rékenen... rekenen Manus! Geen opwellingen! Als hij het hart in aantocht voelde, dan moest hij dubbel snel de plaat poetsen. De stille muziek van zijn eigen gemijmer, dit was toch zijn eenige hartstocht en troost in het leven. Wat kon hem die nettenbreister hier dan eigenlijk schelen? Wou hij zijn baantje kwijt en daarmee zijn rustige vrij- en onafhankelijkheid?
Aafje was, nadat Manus haar had toegesproken, inéén niet meer bevreesd. Ze kon het zichzélf niet verklaren. Hij draaide den zwaaikrans van het licht naar zijn eigen gezicht, terwijl het gelaat van Aafje in een roodachtig duister wegzonk. Nu zag Manus alleen flauw, de lieve, roodgeweende oogen van het kind nog naglanzen in het donker. En onder het rondwentelen van den vlamkegel, gichelde hij:
— Gekke kriek hè?... Ja meid, me fader heb me te veul in me vleesch late groeie ...
Aafje lachte om het rustig-vroolijke van Manus schuw meé, uit angst hem te krenken.
— God heb de bochels geschape foor s'n eige genoege... Dat ka me fan jullie nie eens segge, wat? Hij lachte en draaide zich nu snel om met den rug naar Aafje en greep toen haar beide polsen sa&m in één hand. Nou kon ze zich aan zijn kast vasthouden als hij haar dadelijk losliet; zou hij zijn lampje sturen op het gevaarlijk-steile vlieringtrapje. Voorzichtig schoof Aafje achter hem aan, betastte Manus' rug. Toen ze voor de kamer van Joden Jet stonden, zag Aafje dat het licht er al laag brandde.
— Nou effe plakke... en uitblase!
In die kamer overrompelde Aafje weer een vreeselijke beklemming. Ze ging schuw zitten en durfde, uit angst