39
bleef vóór het ״mormel" keerde. Een flapkan vond hij „z'n eige".
— Ik kan ... ik kan ... omdat ik niet-en-kan,... neuriede hij weer en terwijl hij besloot het gekooide „engeltje" niet bij te springen, repten zijn handen zich om het sneller te kunnen verlossen.
— Ik seg maar... 'n sijsje is geen lijster,... lachte Manus. Nu zijn handen wél wilden en hij aarzelde, moest hij zijn beenen maar laten beslissen. En die joegen naar boven.
— Rings ... rings ... knarsten de knippen schurend door de stilte. Aafje bleef ademloos in het donker achter de deur. In ieder geval, vergoeilijkte Manus de daad bij „z'n eige", kon hij toch de „waar" bekijken.
Toen hij de deur bij een knipknobbel openrukte, viel Aafje in volle lengte tegen hem op. Manus struikelde naar achter en greep dadelijk naar zijn electrisch zaklantaarntje.
— Jonge ... 'n sysie! ... schrok hij.
Dus tóch een kind. Er begon iets in hem zacht aan te gloeien. Verblind en bleek bleef Aafje in een zenuwachtige beving tegen den Bochel aanleunen. Manus draaide wonderlijk in het duister den schellen lichtkrans van zijn kokerlampje om haar lichaam en gezicht, maar Aafje kon de oogen niet openhouden.
— Meid,... sta op je eige stange,... zei Manus zacht, terwijl hij haar hielp staan.
Ze leek hem wel een beetje erg beverig en zeer kort van begrip.
— Soo,... en nou je geboortenaam ...
Aafje besefte maar half en nu de oogen het licht konden verdragen keek ze gretig. Haar afgemarteld angstgezicht bezag den krommen Bochel met een huivering. Ze staarde geschrikt, pal in zijn eéne, lichtende oog. Stamelend begon ze al haar doopnamen op te drensen... Aafje ... Geertruida... Anna ...