38
Ze hoorde een hooge, spottende mannenstem van beneden dit zeggen en ze beefde ...
Dat was toch de juffrouw niet? ...
— Ik stik!... ik stik!... gilde Aafje.
— Hou nog effe 'n kiertje ope!... In de Nes vliege d'r geen kiewitte!
Het was Manus. Toen hij het geschreeuw en ״gebler" op de „zelon" hoorde, begreep hij alles. Het verborgen werk van Joden Jet. Hier zat een engeltje gekooid. Pöfer-blomme ... nee,... nou zijn fijne tuinsigaar niet laten uitgaan en hij zong gesmoord, om zijn ontroering te verbergen:
Valsche trane ...
Wil nie in sorrege sijn ...
Aafje's stem kermde achter de gesloten deur. Nu ze uit het duistere weggehaald ging worden, voelde ze zwijming in haar oogen.
— Hier!... hiér ben ik!...
Weer bezon zich Manus, al besefte hij, dat door te aarzelen, het gekooide „engeltje" intusschen ontdooid en opnieuw bevroren kon zijn. En toch ... wat roerde het hem? Hij had beloofd zich nooit te zullen mengen in de zwij-nerijtjes van zijn dierbare patrones. Die viescadet was altijd weer de overschoone klaverenvrouw uit de geluks-kaart van zijn leven. Zonder Joden Jet, — moest hij vasthouden, — scharrelde hij nog in de theetuintjes als een verschoppeling. Pöferblomme in den maneschijn, waarom hield hij er ooren op na, als zijn hart hem van binnen waarschuwde? In mootjes kon hij zich lachen nu om zijn eigen edelaardigheid. Die overschoone Jet, zijn gespitste patrones, had meer recht op hem dan deze onbekende dauwtrapster.
In Manus spande en stak de tweestrijd als een prikkelende pleister op een versche wond. Meestal vervoerde ze haar korf met „kippetjes" toch 's nachts. Dus alle tijd