137
Noti begreep ze... zij... zij was opgesloten! Nou moest ze gillen, razen en roepen! Een hevige bezetenheid, opgejaagd door angst en duisternis, brak in haar los en ze gilde dat ze eruit wou... woü!... dat ze vermoord werd! Ze riep haar moeder aan,... haar vader! Ze smeekte en jammerde... Maar de deur bleef dicht en de donkerte opende al gapender muilen. Door haar wanhoop heen kreeg ze opeens het volle besef van haar zondige daad en alles wat nu aan verschrikkingen met haar gebeurde, beoordeelde ze in rechtzinnige hardheid als een dadelijke straf van God. Haar dolende begeerte naar het zondige had de Heer doorschouwd en nu zou ze wéggesleept worden van ouders en honk. In kruipende onderworpenheid aan Zijn Wil, bukte ze en bad om vergiffenis.
Ze schuifelde weer op den tast naar het bed en onder een kramp van snikken, vereenzaamd van lucht en menschen, groef ze haar gezicht in de dekens. De wroeging lag als een donker beest op haar hijgende en schokkende lichaam. Nederig bedacht ze haar wreede daad, tegenover de zorgzame ouders. Een dweepzuchtige zélf-beschuldi-ging lokte ze nu als troost in haar benauwing en wraakzuchtig tegenover éigen laagheid van handeling, eischte ze voor haar zelf van den Heere, een vrééselijke tuchtiging! De opwindende angst bracht él haar catechisatieparagrafen in het geding. En tegelijk viel een grootere kalmte over haar benarde wezen. Ze snikte nu zachter... Nog ééns... nog ééns, zei ze zichzelf als een soort van laatste plicht,... zou ze roepen en als dan geen hulp kwam dagen ...
— Juffrouw!... juffrouw!... schreeuwde ze in een trilling van emotie en afwachting en spanning.
Plots hoorde ze zware stappen op de trap. Een slag bonsde haar op het hart. Ze stikte half van blijdschap.
— Juffrouw!... juf... fróuw!... schreeuwde ze dol-zenuwachtig en schril.
— 'n Oogeblikkie... 'n mensch mot eers s'n posetieve vinde.