136
Maar het duikelde in een vreeselijke gedachten-vlucht zóó verwrongen door elkaar heen, dat ze er geen halt bij houden kon.
— JuffrouwI... juffrouw!... schreeuwde ze en weer, gulzig, zoog de stille donkerte het geluid van haar stem op.
Toen begon Aafje te stampen en hevig te huilen en te klappertanden. De zwarte gal schoot met een zure scherpte haar weer den mond in. Ze rook haar eigen drankadem tegen de deur. Ze rilde en tegelijk klaarde een nieuwe herinnering op. Juist, ze had op een kamer vol kleerenrommel gedronken en met de juffrouw geklonken op het spoedige welslagen in het vinden van een betrekking. Dié had ze haar kwellingen gebiecht. Ja, die vrouw had er op aangedrongen dat ze moest gaan slapen, boven... boven, had ze gezegd. Nee, nou begreep ze het. In de kamer beneden was ze niet meer. Daar waren vensters en stond het vol kleeren en huisraad. Maar was het dan nu middag, avond... nacht? Had de juffrouw haar vergeten? Toen, in een droomerige troosteloosheid, wou Aafje zich zelf een rustige gedachte van het gebeurde opdringen. Het goede mensch was zeker in slaap gevallen en kon haar nu niet hooren. Vaag voelde ze haar zoetende gedachte als een verzinsel, dat ze loochenen moest maar niet durfde. Want dan zou ze in een zóó krankzinnigen angst tuimelen dat ze niet meer wist wat te beginnen. Er sprongen uit haar brein zulke vreemde gedachten dat Aafje al dacht gek te zijn. Daarom koesterde ze het verzinsel dat ze zichzelf gegeven had in die nooduren en begon ze onder de kal-meerende werking daarvan hard en gelijkmatig tegen de deur te trappen. Het zware hout trilde tegen haar voet, maar week niet. De stilte van het achteruit-gelegen krot begon haar ooren in te suizen. Het noodzweet brak haar uit. Geheel nuchter en klaar van inzicht werd ze nu door haar ontsteltenis. Nee, nu was het zéker... de juffrouw had haar opgesloten! Nou verstootte ze haar eigen vertroostend verzinsel. Dat zou haar juist krankzinnig kunnen maken!