135
lijfee juffrouw zich haar lot zoo aantrok. Ze was plots het eenzame en opgejaagde kwijt.
De mond bleef eerst als toegebonden. Ze durfde niet te spreken uit angst dat ze zich verklappen zou. Maar de juffrouw werd al liever en belangstellender. Al haar benauwenissen mengelden zich tezaam in die ééne verlossende gedachte: Je komt goed terecht. Ze rook den verschen kervel van een groentekar en plots zag ze haar vader in den moestuin,... en ze huilde ... huilde ... zonder ophouden. Tóch was ze met de juffrouw stillekens meegegaan. Daarna?... Heere Jezus!... dat wist ze niet meer! Nu lag ze of zat ze op een bed. Aafje betastte zich zelve.־.. Ja, haar kleeren had ze aan... Het horloge van haar vader ... nee,... nee ... dit voelde ze nergens! Toen, inéén, stoote ze tegen de plettende donkerte, — een duisternis die op haar gezicht en lichaam aanduwde, — een vreeselijken wilden angstkreet uit.
— Juffrouw!... juffrouw!... gilde Aafje.
Maar het geluid bleef hangen in de diepe, diepe stilte van de donkerte om haar heen. Nou begreep ze er nog minder van. Ze stond wild van het bed op en schoof in het duister weg, de handen tastend vooruit. Ze had kunnen braken van angst en een soort gal voelde ze bitter in de keel dringen. Stuntelig greep en greep ze, maar ze raakte niets anders dan knoesterig beschot. Ze zocht of ze ook een glim van een ruit, een venster kon zien. Een tocht-stroom blies haar op de handen... Ze tastte weer... Dat moest de reet van een deur zijn. Jachtig, als een blinde, bevoelde ze snel de heele oppervlakte van het hout, maar ze raakte geen kruk, geen handvatsel. Al benauwder werd ze en tusschen haar angst-gewaarwordingen door, zag en hoorde ze de gekste dingen van vroeger. Er viel haar geheel onverhoed het refrein in van een boerenkermisliedje ... Ze zong het heel even, terwijl ze sidderde van bangheid. Ze zig, vlak voor haar in het watterige duister, een zilver-gekuifd vogeltje op het witte hek voor hun huisje. Ze hoorde hun waakhond huilen en janken...