134
der voorstelling van het gebeurde, staren in de donkertè. Alles om haar heen, zonder het te kunnen zien, voelde ze als een bedreiging aan, en toch besefte ze nog niet goed wie ze zelf was en waar zij zich bevond. Aafje tastte zenuwachtig met de klamme vingers en ze greep... donkerte... donkerte. Dat gaf haar plotseling weer een lichte bezinning. Ze voelde en zag nu ook de duisternis. Zielig sukkelde haar verwarde en doffe herinnering door het zware en dichtgemetselde hoofd. Hoorde ze daar niet de dorpsklok luiden? ... In een angstigen ruk trok ze zich overeind. Nü eerst bemerkte ze op een bed te hebben gelegen. Haar hoofd bonsde en gonsde zóó hevig dat ze de stilte om haar heen als een hamerend geluid in haar kloppende ooren ging hooren. Wat? ... wat? ... Plots schoot een helle herinnering het dof-gebrande brein in. Heere Jezus!... ze was gevlucht... van huis!... Haar vader ... haar moeder ... de horloge!
Ze huiverde en inéén barstte ze weer heet-schreiend los. Nu wist ze weer alles, van thuis en haar vlucht. De bezinning knoopte wat gebeurd was vast aan wat gebeurde. Maar dan stuitte ze op haar toestand. Daar begreep ze niets van. En in haar stil-snikkend geschrei wou ze den angst om te schreeuwen overwinnen met haar herinnerende bezinning die haar alles zou verhelderen. Eerst was ze uit het hooge en donkere station gestapt op straat. Ze had heel schuw rondgekeken en in ieder mensch meende ze een kennis van haar vader te zien, die haar dadelijk naar huis zou terugbrengen. Ze was toen zóó bevangen van argwaan, dat ze als de dood geschrokken keek toen een heel vriendelijke juffrouw naar haar toekwam en met zachte stem wat zei. Terwijl de juffrouw met haar gelen mantel haar toesprak, voelde ze inéén diep dat dié den angst en het schichtige in haar oogen speurde. Ze had ook zoo dwalend-verward en verwezen rondgezien, dat iedereen wel moést merken: dit meisje komt van de provincie, voor het eerst in een groote stad. Inéén joeg er blijdschap door haar heen, dat de vriende-