!3°
— Ka-je ... allemaal krijge ... as je wil.
— Ikke? ... ikke? ... stamelde ze zwaar, haar oogen traag opentrekkend en niets beseffend.
•— Hó!... riep Jet zichzelf toe,... oppassen! Die deern kon plots argwaan krijgen, juist nou.
— Och, gekkigheid... veel te duur... Doch je dat 't noppes kostte?
— Wat? ... wat? ... nö ... noppes? ... wa is dat?
— Da is sooveel as niks!... Versta je je moerstaal nie?
Aafje brabbelde het woordje noppes nog eens tienmaal
over, maar ze zag er geen bekend kantje aan. Joden Jet had inmiddels vast besloten: ze zou de meid op haar eigen vliering bergen en haar daar te slapen leggen. Tsja, dat was voor die sjikkere schuifster de veiligste plaats. Daar kon ze ook niet sjeezen, dat treife sjiksetje. Ze had daar, op haar ״zelon", twee verborgen knippen voor de deur. Er was geen kruk te bekennen. Maakte ze trammelan, dan kon haar alleen de duvel hooren schoppen. Het was er kompleet afgestorven. Beneden, heel beneden, in de kwartjesvinders-kroeg ... Jaap de Hooy... Daarboven de Bad-Aap... Daarboven zij... en dan pas het vlierinkje, de donkere „zelon". Bochel kwam vannacht eerst heel laat thuis; had zij allang haar warme negotie geborgen. Er kleefde een bóm duiten aan vast!
Wëer schonk Jet het glaasje van Aafje half vol. Maar de deern sprong plots overeind. Plomp!... daar zat ze weer. Hè, hoe gek! Ze kon niet op haar hielen staan. En nou lachte en huilde ze en vergat haar impulsie om zich tegen Jet's grijnzende liefheid en aandrang tot drinken te verzetten. Ze wou wel gillen, Aafje, zoo benauwd en benard voelde ze zich op dit kleine, opgepropte kamertje, waar het zoo ontzettend vreemd en angstig rook naar luchtjes die ze nooit gesnoven had. Maar haar kop zoemde en barstte. En het mensch was zoo vriendelijk.
Weer begon Jet schril-vroolijk op het welslagen en het
Sjikkere: dronken. — Treife sjiksetje: onrein ckristinnetje.