129
zoo diep bezorgd om het arme schaap maakte. Inmiddels probeerde ze Aafje's aandacht te lokken naar de mooie spullen. Luchtigjes-onverschillig hing ze de deern een pluchen sortie om den blanken hals.
— Tege de kou,... beéf je nie meer.
En speelsch weer knoopte ze een collier van prachtig-geslepen kristal-steenen om het stijve hooge kraagje van Aafje's zwaar-gestijfselde boerinnen-blouse.
— Kijk ... dat vonke hè? ... Mooi hè?
Aafje keek verheugd en lachte even door haar troosteloosheid heen.
— Zie je, bij mijn hè je 't goed!
Het jubelde in Jet. Dat vischje hapte gauw in het aas. Dank en lof... het sulde! Ze moest haar het geelverlakt leeren ceintuurtje inééns om haar middeltje knellen. Hing toch voor oud vuil, afgedankt spul van Rooie Stien. Nou haar wiegen ... wiegen... wéér een slok. En ze vulde Aafje's glas donkerrood, diep en troebel van kleur.
— Op 't welslage,... grijnsde ze en haar wreede mond lag open met de vuile tanden. Aafje rilde en dronk. Nou begon alles te warren en te draaien. Het was de deern net alsof haar tong zwol en haar keel gloeide tegen het gehemelte. Ze wou wel slapen, plomp... en ze stamelde nog dooréén-gewarde woorden.
Die botterik, lachte Jet,... is al onderweg naar de grauwbroers! Fijne waar! Kijk haar oogjes glimmen en dicht dutten. En aldoor streek ze op die eéne snaar: haar vader... politie... doodtrappe. Wat een angstig gekir. Ook geen wildzang die lang buiten het kooitje fluiten zou. Dat zag ze aan haar heelen zoeten toet. Joden Jet gooide plotseling een doosje vol kleurige kralen en steenen leeg op de tafel, vlak voor Aafje's oogen. Die schrok weer bij en ontrukte zich aan de loom-inzinkende zwaarte in haar kop.
—O! oü... wat mooi!... riep Aafje in verbazing en haar bevende handen graaiden tusschen de valsche, fonkelende opaaltjes, cobalt-kristallen en robijnen.
9
Van Nes en Zeedijk