128
vers, arme dokwerkers en straatzangers. Daar moest ze dronken ingevoerd en dat schiep kabaal. Onder al die krengen en sletten zou ze liggen als een blom tusschen modder. Als ze haar eens in het logement in de Hasselaarsteeg bracht, waar dat rooie lantaarntje voor hing? Daar was Cor de Snor de baas, die linke, vuile boef! Dié kon zwijgen. En wanneer de politie een nasporing deed, keek hij stom als een varkenskop. Zoo een gooser wist nooit-niet-van-iéts. Maar die sluwe Cor zou ópeischen;... dan moest ze weer dokken, had ze tóch een handlanger. Aafje deed weer een heel ontsteld boeren-verhaal van een stier die de vorige week losgebroken was en Jet knikte lief en grijnsde, terwijl ze van het heele vertelsel geen woord volgde, wég als ze in haar eigen berekeningen en overleggingen bleef. Daarom misplaatste ze al haar in-knikkende, lieve grijnsjes vaak op het moment dat Aafje zweeg. En weer kermde Aafje dat, als de politie haar opsnorde en thuisbracht... trapte haar vader d'r dood!
Jet stelde de deern weer gerust.
— De peliezie naakt je nie. Hei je schroei?
— Wat is dat?
— Honger,... lachte Jet.
— Ajasses... ete?
Nou had de deern haar heelemaal van het apropos afgedrongen. Wacht... hoe hing het nou? Niét bij Willem Suikerjas, niét bij Cor de Snor, in de Hasselaarsteeg... Waar dan? ... Tsja ... tsja ...
In het strakke en afwezige mijmeren van Jet voelde Aafje plotseling een benauwing. God, waar was ze eigenlijk? Wat keek die vrouw toch sluw en schichtig. Aafje zag Jet juist haar nagels nijdig afknabbelen in den gruwe-lijken mond. Hè, ze wist niet waarom, maar ze rilde.
— Hè juffrouw ... u seit niks.
Het kwam er zoo lief en bedeesd en vertrouwensvol uit.
Jet had haar wel kunnen zoenen. Zoo een dotje!
— Hè? ... Nee, niks kind.
En ze vleide met haar stem en beweerde dat ze zich