126
Aafje keek beduusd rond. Zulke gekke spullen had ze nooit in een kamer bij mekaar gezien. Ze staarde nu pal in het licht. Ze was een bloeiend-mooie blonde boerendeern, met een al rijp-vrouwelijken, uitgewelfden boezem. Slank, groot en kaarsrecht zat ze op haar stoel. Ze leek zóó, de blauwe starende oogen roodgeschreid en vol lichtvonken, van een innemende zachtheid en ze had lieve, bedeesde manieren. Haar stem klonk smartelijk ontroerd en heel week.
— Zoo, zoo... grijnsde Jet en haar lippen zoog ze weer naar binnen,... nooit in Amsterdam geweest?
— Nee juffrouw.
— Arreme meid,... huichelde Jet weer met kleverige zoetheid in haar wreeden grijnslach.
Toen, geroerd door Jet's hartelijk woord, barstte Aafje met héél haar leed, schrik en doodsangst los. In snik en huil vertelde de argelooze boerendochter alles. Ze was nét zeventien geworden. Ze woonde in Hoorn... Zoo stil,... zoo muisstil hè? En ze had nou al zoo lang gespeculeerd te vluchten naar een groote stad.
Jet grinnikte en schudde haar grauwe hoofd, waarop het hoedje met de opgekrulde voile nog kroonde en vreemdgrillig in de kamer-schaduw, trilde de roode geranium mee bij ieder harer instemmende bewegingen.
Zuchtend en snikkend vertelde de deern verder. Nou vandaag was er al een beste gelegenheid. Vader en moeder waren tot morgen weg, wegens het sterven van een oom en nou was zij dood-alleen achter gebleven. Jet moest wél begrijpen dat zij d'eenige meid was en dat haar vader veel van haar hield.
Jet knikte heviger en verlustigde zich in de mooie, natte oogen van het huilende kind en in de argelooze weekheid van haar zachte stem.
Maar tóch kon ze niet aarden thuis, snikte Aafje. Er gebeurde nooit wat. Vader vroom en moeder, en eeuwig en altijd moest ze naar de kerk, en zij had het nou eenmaal in haar kop gezet... ze zoü en wou er uit! Ze moést de