133
— Ik mag van de huisbaas I... viel giftig Jet weer uit. Manus week niet voor het grijze serpent. Doodkalm
beweerde hij, dat ze die arme Coba uit de Pijp schandelijk afzette. Dat was geen ruil maar een lage, sluwe diefstal. Hij wist wel dat zij geen deernis kende tegenover sloeries en snollen; maar het bleven toch óók ménschen.
— Eet je d'r fan?... beet Jet hem toe.
— Ik leef fan me wérk.
— Nou dan.
— Nie 't selfde, melady!... sarde Manus ijzig bedaard.
— Mot ik nie deele mit Speknek en Rosine?
— Twee krotte... gemeubeleerd met gegannefte
waar.
— Vraag je niks.
— De meid sappelt en tippelt sich dood foor jullie boevetuig!
Manus ging sarrend door. Nou moest ze de meubels terug geven die ze al driemaal afbetaald had...
— Fifa Ollandia,... Anne en Berthus ...
— Binne nog gróótere schurke)... viel Manus in. Hij sprak ijzig bedaard van hun schelmsche woekerijen. Coba betaalde niet vlug genoeg af. Nou moest ze een bordeel in.
— Oom domenee ... pak je bieze!... sneed Jet af.
— In heete pek ...
— Wat?... tartte Jet.
— Moste se je smelte.
— Zoo.
— Jij bin 'n rat die an de druife likt.
— Mag ik? ... lachte ze grauw van woede.
— Kataas!...
— Allemachies ...
— Krokkedil!... schold Manus ijzig, minachtend-kalm Jet grijnsde tegen zijn sarren in. Zijn lauw bloed kon
ze drinken in een koud kommetje. En hij haar bloed, niet? ... vroeg ze.
— Jou bloed? ... lus 'k nie, bah!