122
die alweer achter een nieuw listigheidje van Joden Jet tastte.
Want Belgische Marie, wist het wijf, had ze zélf helpen ״verkasten" naar Brussel. Dit zou Manus zich niet herinneren en dan zocht hij de halve stad rond, bleef zij de handen vandaag vrij houden. De Bochel had haar weer doorzien.
— Smiecht!... schold Jet, terwijl ze van achter de deur te voorschijn kwam.
Ze zag er geteisterd uit. Het licht viel grauw op haar schichtige en dwalende oogen. De leden knipperden alsof Jet een vreeselijk-heeten koffie-slok genomen had. Haar grijnsgezicht trok links en rechts. Manus beweerde dat ze een of anderen dag nog eens haar eigen bakhuis zou inslikken. De grauwe haarkrullen warrelden voor den sluwen neus en over de uitgegeelde wangen. De wreed-grinnikende mond kauwde zenuwachtig gejaagd de woorden. Altijd als het tegen zes uur liep werd Jet wakker; kreeg ze een stuiperige haast in haar bewegingen. Dadelijk schoot ze in haar halfkort paleto'tje en priemde een stroohoed op de haren. Klein en uitgemergeld stond ze voor den Bochel, die haar sarrend-rustig bekeek. Dat maakte Jet dol-zenuwachtig. Vooril voor het dichtgeknepen oog van Manus was ze bang, veel meer dan voor het opengesperde. Tóch kon ze hem nog niet loslaten.
— Maar Coba, uit de Pijp, mag je niet late zitte.
— Hoelang wi-je-me kwijt?
Jet schrok.
— Seg ikke dè?
— Nee... fk.
— Nou dan?
— Jij... denkt 't.
— Zoo'n hengst!... beet Jet woedend af.
— Neem nau nie de spankert.
Bakhuis: gezicht.