ii7
beven van stikkende woede en getergdheid. Hij ergerde Simbad;... ook dat deed Manus goed. Die kerel, met zijn stem als een geslepen zeis, schuurde zoo giftig langs hem en hij kon den vent zoo fel spottend pikken in zijn pronkend gevederte. Hij ergerde Rooie Stien als ze dol aan het geldverkwisten sloeg, terwijl ze wist dat hij geen sou van haar overdadig bezit begeerde. Hij ergerde Mooie Jo om haar slaafsche koopziekte; hij hekelde haar slachtofferschap tegenover Jet en hij trapte de doorns dieper in haar voeten om haar menschelijke verzetkreten rauwer te hooren. Hij ergerde Hannes den zaakwaarnemer om zijn valsche gluren en gluipen, en Manus genoot van zijn pesten, plagen en schampere zetten. Hij voelde zich er door opgelucht en vroolijk. Niets leek hem heilig dan zijn eigen onbedwingbare zucht, te zeggen waarop het stond, als hij er lust in had; en om niets lachte hij sarcastischer dan om het zien verbergen van den innerlijken angst der menschen als er achter de dubbelzinnigheid hunner woorden wierd gegraven. Bij hém stond niets op het spel als hij ontmaskerde of met zijn spotdolken toestootte zonder gena. Ieder voelde dat Manus zijn meening zei, lós van het geringste eigenbelang; dat hij voor zichzelf niets te bedisselen had, noch iets te ontzien. Zijn staal-raspend woord bracht vrees en gejaagdheid zelfs onder de ruwe waarheidzeggers, dewijl Manus de verstrikkingen waarin deze zélf zaten vastgeknoopt, zoo wreed-ironisch onthullen kon in zacht-lachenden schijn van argeloosheid. En toch, toch had hij meelij, deernis met veel menschen en toestanden. En dat hinderde hem juist geducht, erkende hij als een schaamtevolle zwakheid. Alles was toch larie en apekool; en alles even verachtelijk en gemeen. Hij altijd, botste het eerst tegen den scherpen kant der dingen op. En alweer zei hij wrang tot zichzelf: ״Manus je leit in tweëen, in drieën, in zessen! Dan wil je zwijgen als een slot omdat je het zinloos geklepper der menschen zoo kwelt;... dan doe je niks dan stiekem minachten en zoet pesten, zonder een woord uitleg; vermom je je heele