I 70 FRAGMENTARISCHE KRITIEK.
naar levensessence, spartelde het zingende kind, dat geloofde, hoopte en lachte, dat de wereld aanzag met zonneoogen. Er zijn er, die gezegd hebben, dat Van Gogh 'n hatende, oversombere, zwartgallige, nervense natuur had; dat ermenschen-schuwheid bangde door z'n kleur-harmonieën.
Maar zie z'n natuur-liefde, z'n brandende passie en tegelijk toch de sereniteit, waarmee hij genoot van het licht, de kleuren, de lijnen en het oneindige leven om hem heen. Zie de kleurige vreugd, die hij uitjubelt in z'n bloeiende vruchtboomen. Naar de harmonie van dezen wonderbloesem is niet getast met 'n nat verf-penseel, maar met de mystische hand van 'n wezen, dat dauw van z'n palet tooverde. Kunt gij u iets roerenders en goddelijkers denken dan de blank-doorschijnende bloesempracht van bloeiende vruchtboompjes? Wie heeft ooit 's avonds langs akkers gewandeld, waar late zonneschijn z'n brandend goud dampig vergloeide over bladeren en grond, door lommer en takken, zonder 'n bevende verrukking te voelen voor dat licht op de vruchtboomen? Al de teederheid en de atmosferische tooverij van gloed en kleurspel, tint en omgeving heeft Van Gogh daar gevangen in z'n werk.
— ״J'ai une lucidité terrible par moments, lorsque la nature est si belle, je ne me sens plus