I 70 FRAGMENTARISCHE KRITIEK.
et le tableau vient comme dans un rêve." —
Dat zegt hij van zichzelf, gloeiend verrukt van 'n onstoffelijke ijlheid in voelen en tasten van de hoogste natuurwonderen. En deze man zou de scheppingsvreugd niet gekend hebben ? O! Er wordt gebazeld, omsleurd, geknauwd en geknakt, verlakt en opgehemeld. Maar zullen de duffe en nietige scribenten dan nooit beseffen, dat zij staan tot de grootheid van een Van Gogh, ondanks al hun ontledings-airtjes, als 'n scholletje tot 'n walvisch ?
Deze tentoonstelling is 'n ontzaglijke revolutie. Ge kijkt rond, ge hoort dadelijk, dat 'n mensch, let wel, 'n mensch, voluit spreekt, met oer-kracht. Wat 'n waanzin, wat 'n overspanning, wat 'n ge-outreerde passie, wat 'n rhetoriek in durvenden schijn, wat 'n klodderende felheid van verven. Dit zeggen de uit hun zelfgenoegzaamheid ge-stootenen. Hij slaat den mensch, hij spuwt hem in het gezicht. Deze werker haat en heeft lief, maar vooral kent hij den zoeten sidder van de hooge schoonheidsverrukkingen. Maar z'n penseel is niet alleen 'n instrument voor kleurschepping; hij spreekt, vecht, knauwt, striemt er mee. Hij stoot alle gemaaktheid omver en alle valsche levensbedwelming. Hij wil alle ontroering door z'n werk doen heenhuiveren. Hij wil met z'n