I 70 FRAGMENTARISCHE KRITIEK.
't Leven schept altijd weêr leven, en weet niets van je onsterflijkheid.
Spin maar, knor maar poes, oüe, ronde tante, schommeltante, verkneuter jij je op je zonnige vensterbank en peins over je ״onsterflijkheid"... in de boeken van Huet althans.
't Leven kent je niet, maar Huet zorgde voor „onsterfelijken" kattenmolm.
II.
Flaubert.
Hoe toch te verklaren, dat Flaubert zoo sterk Hugo en Chateaubriand bewonderde?
Is er in die twee iets anders dan hévig sub-jektivisme tot sterke ikheids-lyriek gemaakt?
Louis Bouilhet, z'n vriend, was romantiker, maar Flaubert óok?
Waarom haatte Flaubert 't lyrisme van De Musset en De Lamartine? Alleen om hun sub-jektivisme ?
Maar, waar dan zijn bewondering, z'n felle hevige, kinderlijk-ontroerde bewondering voor Chateaubriand en Hugo te plaatsen? Juist wijl hij zoo evident-stellig eischte: objektieve kunst, streng doorgevoerd; juist wijl hij zoo haatte het