I 70 FRAGMENTARISCHE KRITIEK.
nagels groeiden aan en 't lijf leek van 'n gestreept-Bengaalsche.
De oogen knipperden ... hu, Huet rilde!
En de stille, wreede, geheimzinnige kop lag maar te soezen in de zon, de heete tong likte traag en zich verkoelend tegen de ruit. In de spleet-oogen drongen de bloedige begeerten naar verscheuringen van levend vleesch. De spleet-oogen staarden met hun geheim licht van roofdier-woeste, stille en ontzaglijke woestijn-verlangens.
Toen viel Huet de kijker uit de hand!
Och, poesje, geef maar ״koppies".
Je snor is niet met bloed bespat, en je nagels haken niet demonisch vast in levend vleesch.
Je bent en blijft 'n miniatuur-tijgertje, dat zelfs op de kanarie-kooi mag zitten dutten, zonder 'n schamp kwaad te doen.
Mollige poes, dikke tante, snor maar, knor maar, spin maar vredig op je zonnestoof.
Je hebt de schoonheidsdronkenen nooit met 'n gebrul opgeschrikt.
Zij weten dat miauwen, ook in krölsche vlagen, eerder kindergeschrei lijkt dan roofdier-gebrul.
Je bent wel „onsterfelijk" tante ... in de boeken van Huet althans!