I 70 FRAGMENTARISCHE KRITIEK.
verheerlijkte utopie, gemanifesteerd hebben?
O Huet! als een dorre prof. staat ge hier te gloeien in 't schaamrood van eigen leege opgeschroefdheid.
Huet, hier zijt ge geen gids, maar rampzalig dwalend schaap, dat den beet van 'n haaktan-digen dog verdient.
Madame de Staël!
Ze is een dikke, mollige poes, snorrend en■ spinnend op 'n leeggeruimd vensterbankje, knus-sig in de zon. Ze geeft ״koppie's" als je'r aanhaalt, lichtelijk.
O! 't Is een heel gezellig dierke. En knus is. ze, 't lieve tantetje.
Nagels had ze nooit, 't goeie dier!
Huet heeft haar onder 'n heel sterken literatuurkijker beloerd. Toen is, zoo van uit de verte, — al 'n eeuw geleden, m'n lieve mins . ..! — haar mollig lijf gaan zwellen.
Ze zat, bol van genoegen, in 't lekkere zonnetje te stoven. Ze soesde en knikkebolde. Huet richtte z'n kijker ... stelde scherp en weer scherp ... en de poes zwol op tot tijgerbeest. — En hij zag haar knikkebol als den kop van een roofdier, de oogen dronken van wreed-bloeddorstige droomvisioenen.
De dons-pootjes zwollen óp tot klauwen, de
12