I 70 FRAGMENTARISCHE KRITIEK.
frasen, op de kliché-zegsels en de grove karakteristiek der' z.g. gevoelsschoonheid van Corinne en Delphine.
Uit ieder woord proeft men hier den gemaniereerden literairen fat, den frazen-dandy.
Maar de aandoeningen zijn verslapt, als tienmaal begutste boterhammenkoffie in 'n boerengezin.
Er waait een akademisch luchtje van deze Huetsche pagina's.
Maar vooral, vóóral is ergerlijk de ons sug-gereerende houding van Huet, als de schoonheids-ontroerde. Ik geef mijn hoofd als inzet, aan ieder, die mij één gevoelden zin, en een zin écht gevoel uit dat afschuwlij k spektakel-melodrama, juist in dit laatste Delphine-hoofdstuk, kan aanwijzen.
Alles er in is van een grove, vulgaire ont-roerings-berekening. De taal is van een stuitende, kunstmatige kauserie-rhetoriek.
't Heele hoofdstuk is één mislukking, één opstopping van afzichtelijk-valsche psychologie. — Door D'Ennery, den ״Twee-Weezen"-man, is geen wee-er engelenbak-frazeologie uitgedacht.
Juist de hoogtepunten, door Huet met zooveel dwaze emfase geroemd, — die uitvallen en smeekbeden van Delphine aan den rechter, — leest ze,