148 OPENLUCHT.
behagen in daar met de vroegte van den helderen uchtend aan en bij te zijn, en een eerste pijpe al rookend, heel dat spel van die nijverige hennen ga te slaan en af te spieden.
״En hij loech inwendig om al dat geruchte «n nutteloos lawaai, — maar dat ging hem goed en hij voelde dat 't zóó zijn moest; dè.t was de blijdschap van 't ontwaken, 't opstaan van <le zon en 't groote licht overal en 't leven van den verschen dag, de inzet van een blijheid in de vroege koelte."
Met dit stukje is heel zuiver de diepe bekoring van den wonderen hanenzang gegeven. Dat is niet alleen meer kunst, die iets van het bloot-werkelijke leven „kopieert", iets afgeneusd heeft, maar hiermee is de fijnere, sensitieve werking van het dichterlijke natuurleven geopenbaard, vooral het laatste gedeelte van dit citaat: „dat was de blijdschap van 't ontwaken, ,t opstaan van de zon" enz.
Wat 'n heerlijke ruimte leeft er in zoo'n zin. Hier is het feit en de ontroering over 't feit in één uiting saamgegroeid. Dat heeft het al dadelijk boven de z.g. waarnemingskunst vóór. En zulke uitingen geeft Streuvels dikwijls, heel dikwijls.
Toch is „Openlucht", lang z'n beste werk