OPENLUCHT. 147
gedoe van den haan, te niet gedaan, door de overweging: ״om te zien wellicht" enz.
Maar verder is zoo'n stukje mooi. Ik weet wel dat het koloristischer uitgebeeld kon worden. Zie eens zoo'n kippenleventje, zoo'n ontwaken
in de zon, op 'n schilderij van Monticelli......
't vlamt daar van kleuren en lichtgestraal. En 't zanggeluid van de haan-kelen kukkelt je de ooren in als 'n zang'rige bazuin. Maar zooals Streuvels 't doet in zijn eenvoud, is 't toch ook heel innig. Wat zuiver b.v. ״hij tord eenige stappen verder en kraait nog ; hij draaide zich om, neep de oogen dicht en kraaide nog luider" enz.
Zie, dat is niet alleen èfgezien, maar dat is doorleefd. Zulke zuivere zinnetjes staan voor veel koloristische schoonheid. Ook al zou je meer van de glansveeren, 't goud en 't brons hebben willen zien, of 't gloedzwart satijn, of 't rood hunner kammen. Ook al zou je in 't hoenderhok 't eerste zonlicht hebben willen zien slaan, het fonkelende goud van den ochtend, wiegend over de gestorven veertjes en pluimpjes, her en der op den grond, tusschen het woelige parmantige gedoe der pronkerige schoone beestjes.
Maar lees nu ook eens dit:
״En Lowie, de groote vent, schiep er zijn
ii