STIJN STREUVELS״ ׳MINNEHANDEL׳'. I39
heid, voor boer Pauwels' gezin en genoodigden. Rondom, de jolende troep meiden en knapen, smakkend en drinkend, gulzig en verliefd, en 't davert in de groote keuken van boer Pauwels, waar 't heele gezelschap smult, drinkt en lacht. Max blijft zingen:
„Zijn schoone stem wandelde op en neer lijk over een watervloer met vlagen wind, en wie kende het gelijk hij om achter den eersten maatslag tusschen dat woordeken „zoet", op de twee zachte tijden een dubbelen piepsissenden lippen-trek te smijten, die daar tusschen klonk als een smakkenden kus, de weergalm van het zoete woordeken."
Het eerste hoofdstuk Joel is van een sterke en levendige opgewondenheid. Het moet een avond zijn van den „goeden ouden tijd", de joligheid vrij en ontbonden. — De dampende kommen met aardappelen kruisen de schotels met bruin gebraden zwijnvleesch, worsten en ziedend vet; appels gestoofd met krenten, ruggebeen met rijst, bloedworsten en warme hesp.
„De vorken en messen korven en stekten en de bierglazen tikten dapper tegen een."
Een groote schenkkan gaat rond en de glazen vonkeren.
De warme opgewonden leute en de avondsfeer