STIJN STREUVELS״ ׳MINNEHANDEL׳'. I39
deerns zich verlieven. En Max-zelf ziet er niet één, maar allen „geern". Zeer, zeer „geern", kl te geern!
Hij houdt niet van 't „abele verloop der vrije jongelingschap" en de „leute" bij één, maar bij klle lieve, frissche, bolle, slanke, fijn-monkelende vrijsters, allen, die zich in z'n lach, z'n schoone stem en forsche jongelingschap verlieven. Hij lijkt 'n oogtoovenaar. Hij hoeft de lieve boerinnetjes maar aan te zien in het wezen, en ze drentelen beschroomd naar Zijne Landelijke Jongelingschap heen. Beschroomd ... maar ze dóen 't toch.
Hij heeft dezelfde wonderlijke suggestie op de meiskes als Marie, z'n zuster, op de knapen. Ook die dwingt de mannen met haar stoute oogen, zonder 'n stom woord te zeggen, en guitig voorspelt ze haar mede-vrijsters.... let op: ik heb dat manneke aangebeden en nou zal hij komen! En hij kómt! —
Hypnose, landelijke hypnose, in dezen familiekring erfelijk, blijkens hetzelfde vermogen van broer op de vrijsters.
Want al zegt Marie, dat ze 't van Max geleerd heeft... d&t laat zich niet leeren! Minnehandel!
Met wat licht-blijde, levensgelukkige en oolijke