STIJN STREUVELS״ ׳MINNEHANDEL׳'. I39
dertuin van Teirlinck terug, naar de akkers, vol reëelen min en menschelij'kheid, zwaar van gang, en waggelend van passie.
Teirlinck overziet den zonnigen hof en weeft uit de laatste roode zonnestralen die over de vurige vensterkes beven, een menschensprook. Ieder maagdeke omweeft hij in spinsel van fijne droomerij.
Streuvels oolijkt hun toe, lokt hen uit de spiegeling en tooverij, laat ze klinkende kussen verdeelen, en voert hen uit den gouden tuin naar de velden. Tot plots ook in hèm de realiteit gaat spoken.
Dan gooit en kaatst en speelt hij met de werkelijkheid. Dan zet hij z'n lachspiegel van romantiek midden in het kleurige en vurige spel van z'11 echt-levende boeren en boerinnen, en weerkaatst hij gedrochten met karikaturale koppen, monsterlijk en verwrongen van lijf.
Is dat de man die ons gouden maaiers liet zien verbronzen op 't avondland?
Hoorden we bij hèm de zachte fluistering van de avond-koornakkers verruischen als 'n verre zeezang? —