STIJN STREUVELS״ ׳MINNEHANDEL׳'. I39
O! die vaartjes en spoelstertjes en de watertjes, waarin de wolken zeilen! die plasjes zich zat-zuigend aan rein-blauwe lucht, al lucht.
Hoelang pas kennen wij, herschapen in kunst, den klaterjubel der roode hoevendaakjes en de luchten er boven, in een trillende hittepracht? Hoelang de lentefeesten met z'n bloeiblanke en bloesemende boomgaarden, hun witten tooi? En de velden, de glansgroene, gemaaide en hoogbloeiende velden, goudwarm en lichtheerlijk doorstroomd; de wasemende velden van 't schoone Vlaanderen, met z'n kleurig en warm volk, z'n stoer en struisch ras, z'n fijne heuveling en teeder lijngegolf, z'n wonder lommer en bosschage.
En dan,... de boerinnenzwier, de blonde, lustige, roodaardig frissche en versche jeugd en de pootige, snaaksche knapen!
Hoelang kennen wij dat schoone Vlaanderen, vol rookigen aardgeur, veldzoet; vol van het schuimende werkgerucht en vol van jool der ontspringende jeugd?
II.
Buysse was er, met magnifieke brokken werk; Buysse, maar Gezelle bleef onbekend. En hij bezong 't land en de menschen van 't innigste Vlamingen-land. De luidruchtige jubeling der