Il6 STIJN STREUVELS״ ׳MINNEHANDEL״.
in hun kleurig baai, hun warmrood-dampende kleeren, en hun blondgevlochten zonnehoeien? Dat land, met z'n zilveren ochtendmisten; dat land met z'n vroolijken klinkklank van zang en ontroerende menschenstemmen; de gevooisde liedjeshal waar, als onder een rinkelend getik-ketak van klinkglazen, bijéénvroolijken tusschen lommergroen en hoeken, de zoenlustige jolige knapen en boerendeerns, en waar soms rondgaat de guldene schenkkanne, in een roep van jolijt, rondom, rondom, als in den ouden tijd.
Hoelang kennen wij die dreven en velden vol gloed, die blaker-roode en krijtblanke hoeven, waarvóór, in de scheemring, oude boeren op banken pijpsmokend en mummelend, achter hun landelijk lommer uitturen naar de duisterende velden en elkaar met zachte stemmen vertellen van weleer ?
Gaat 't ons niet voorbij, in de kokende roezemoes der nieuwe tijden, als vèr visioen van spoelende vrouwtjes op teeder mosgroene vlondertjes, spoelend in 't klare, zilverende vaartje, omgloeid van 'n prachtblauwen zonnedag; landelijk en innig, de bezige lijfjes gebukt tusschen vlotgerij en kroos, en de fijn-kleurige toetsjes van rood en groen emmerspul verfonkeld in de kleurige plassigheid van 't spiegelend vaartje?