go
dreigden de wijndronken, gehelmde en zwaard-zwaaiende krijgers opnieuw, onder losratelende vervloekingen en razernij en, dat zij niet langer verkozen te blaten als een kudde opgejaagde, angstige heideschapen; dat Sichema alléén, als Simson's kloekzinnige vrouw, sluwelijk het raadsel-geheim den on-menschelijken Hebreeuwer kon afpersen, afpersen, om het daarna hun te verraden.
De oudste Philistijnsche bruidsgeleider, die Sichema het driest begeerde, doch door Simson's heldengestalte was weggedrongen in zijn brandend-begeerde min, sprong op haar af als een getergde stootram en schreeuwde Sichema toe, of zij soms haar landgenooten geheel wilde uitgeplunderd zien door dien barschen strooper, roover en geweldenaar; een gruwel in het oog van hun volk? Waren zij niet al genoeg uitgemergeld door haar vader's praal en hoovaardig vertoon bij het feestmaal? Moesten zij nu nog man voor man, Simson een eerekleed en een oppermantel schenken en een zuil van groenen marmersteen? Of nieuwe wachttorens bij de schaapskooien? Geitenvellen bij de kwakkelen? Wol bij de melk? Topaas-gesteente, robijnen en goud bij roode aarde? ...
Hun venijnige spottoorn laaide uit, zoo ontzettend en toomeloos, dat Sichema diep geschokt, al heviger ontstelde en een doodsramp voorvoelde. Zij had den geweldigen Hebreeuwer en Naziraeër, den harte-breker uit Dan, met den kinderlijken lichtglans in zijn zwaarmoedige oogen, lief gekregen in heel zijn raadsel