7i
achtige en soms norsch-omhullende zwijgzaamheid. Hij droeg den geur van zee, woestijn en verre gebergten mee in heel zijn eenlijke, ontzachlijke wezen. Zij, in haar eertijds koele scherts, — tartend-wulpsche harpspeelster, — wist zich nu als liefde-vrouw, Sim-son's slavinne,... de groeiende lust zijner smeek-oogen, gelijk Rachel het Aartsvader en herder Jacob te Haran geweest was. Doch de twistende krijgsknechten en spieseniers van Sichema's stam, in wreede, dweepzieke grimmigheid snoevend op het heilige hunner geslachtslijn, bleven al vervaarlijker dreigen, afgodsbeeltenissen en dwaalsterren aanroepen, en bezweren bij de tempels van Gaza en Aschdod, bij het onverwoestbare feest van ploegers en maaiers, dat zij het huis haars vaders met al de koorn-muren en haver-putten, in een knetterenden vlammenkring van vuur zouden omlegeren; dat zij Sichema-zelve zouden laten verstikken in walmrook en verbranden tot asch; dat zij haar vader, haar moeder, haar broederen en zusteren met speerpunten de oogen uit zouden steken, zoo zij niet Simson het raadsel-geheim te ontfutselen wist.
Sichema, opgejaagde vrouw, weende, kermde met kranke stem en voelde zich de verwarrende zinneloosheid nabij. Met zooveel stormachtig, bijna brullend vreugde-rumoer en gezang, was het bruiloftsfeest aangevangen en nu leek alles plots verkeerd in duisteren angst voor verwoesting en vuur. Zij mocht, zij