8?
Jehovah's geest begon al jagender en oploopender in hem te woelen. De Chamietische Philistijnen belaagden en verdrukten het aartsvaderlijk volk van Israël en Simson, baldadiglijk, begeerde te wortelen tusschen de afstammelingen van Caphtor en Casluhieten, om deze benijders van zijn volk later meedoogenloozer te kunnen uitroeien. Hij zou ze vaneenscheuren, gelijk hij het den roofgierigen leeuw had gedaan, als een zwakken geitenbok. Heel het Philistijnsche afgodenrijk zou ineenstorten als Jericho's muren onder Jozua's heilige krijgsbazuinen.
III
Nu aanzag Simson, op het vreugdefeest, de dertig beeldsprakige beschermers van zijn vrouw, in hun geel-koperen pantcieren bekneld en opgepronkt, zich het moegetobde, heete hoofd affolteren, om den zin van zijn buitensporig raadsel op te lossen ... uit den eter kwam eten en van den sterke, zoetigheid ...
Simson glimlachte en stapte het vertrek van zijn lieftallige vrouw binnen. Achter zijn reusachtige gestalte voelde hij wrevel en woede der krijgers-met-de-bont-welvende-schilden-en-lange-speren; voelde hij den toorn nabranden van hun bliksemende oogen op zijn rug, nu al geheimzinniger de bedoeling van het zinspelende raadsel hen omzweefde, zonder dat zij er den dieperen grond van konden tasten. Het hoofd van