86
en nazaten van Avieten uit Hazerim, lachten hem, loomen droomer uit, omdat hij alleen water en nooit wijn dronk en geen runderen, schapen, geiten en ezels begeerde. Zij beschimpten hem om zijn stil en verliefd zwerven langs de Groote Zee met haar murmelingen en blauwen gloed. Zij bespotten hem, omdat hij alleen rein voedsel nuttigde, al ging hij in honderd stappen van Zoreah naar Esthaol of Zanoah. Zij lachten, omdat hij geen enkel vechtwapen, werplans noch blinkend schild droeg. Zij, ten zuidwesten van de Jordaan, bij overlevering uit de alles-inzwelgende Caphtorieten gewonnen, beschimpten hem om zijn vreemd-klinkende gebeden en zijn wankellooze onderworpenheid aan den God van Israël, die zijn volk uit alle geslachten van den aardbodem had uitverkoren; en ook, wijl hij, titan-sterke, onwrikkelijk gelijk een steengevaarte, altijd nog teeder-in-kindereerbied, zijne moeder Zelalphonith uit den overtalrijken stam Juda en zijn dubbeltongigen vader Manoach naderde. Hij gedacht zijn Naziraeïsche geloften, geboden en inzettingen die hem goddelijke ingevingen schonken, zoodat hij al wat de wijnstok leverde, zou blijven ontberen. Toch had hij eens, tégen den wil van zijn ouders, tot zijn vader redeloos gezegd:
— Vader, ga af, zuidwaarts naar Thimnath, tus-schen bloeiende wijnbergen, achter geurende cactushagen en wilde vijgeboomen. Haal mij het schoone Philistijnsche meisje tot vrouw, met de wonderheldere sterrenoogen. Zij is mij zeer welgevallig ...