84
Op den tweeden avond van het feestmaal, overstelpend van zwaardgekletter en tierend drinktumult, was Simson door een onbegrijpelijke, weemoedig-vroolijke bui overvallen. Van de verre wijngaard-wachttorens hoorde hij, in den geel-nalichtenden avond, schalmei op schalmei uitklinken. Er rilde een beklemmend-teedere ontroering door hem heen. Hij dronk toen, naar Mo zes' wet en Naziraeërsgelofte, met onbezoedeld water, op zijn heerlijke bruid en al hare bruids-bedekselen. Hij dronk, zinnebeeldig, op de kuischheid van haar Eva-gordel, in smaragd gegespt, schooner lichtend dan groene zeegolven, achter Adams' bruids-kameren, achter Eden's Hof. Hij dronk met water, op zijn reine moeder vol verheven geloofsmoed; hij dronk op de gasten uit de twijghutten; hij dronk, met havenende ironie en bedekte spotternij, op hun helden-roem, op hun verdelgen en vermoorden van d'Avieten uit de vlakte van Philistaea,, en hij stelde zijn duizelend en verdwaald raadsel plots tegen hun helsch-heiden-sche verheerlijking van de tempel-afgoden in. En nu, al dagen lang, zag hij de afgekwelde en verbolgen Philistijnsche mannen met de dreigtronies en zijn medeminnaar met het verwrongen haatmom, zich tevergeefs de hersens afpijnigen alsof ze allen het wrange sap van dolle kervel of vergiftigend aard-mengsel hadden geslikt.
Simson, de droomer, mijmerde na,... hij, nietig dienaar, onderworpene van het alomvattende goddelijke wezen Jehovah, dat Judaea en Dan en vele