83
op het dwarspad tusschen woest kreupelhout en hooge ahornboomen. Daar ontwaarde hij het half-vergaan en uitgedroogd leeuwengeraamt' vol gonzende, door-een-wriemelende, wilde hommels en werkbijen, die argeloos-driftig, reinen, gouden honing in het roofdierrif saamgaarden. En schoon hij als Naziraeër geen dood aas roeren mocht, om zich niet te verontreinigen, proefde hij even, in zinsverbijsterende gedachten-vlucht. Toen hij bemerkte dat de honing zoo zoet was als uit de woestijne Judaea, brak hij eenige ongesplinterde raten los van het cadaver, welke hij meenam naar Thimnatha, met vage bedoelingen, onder een onverklaarbaar, toch innig gelukzaligheids-gevoel.
Op den eersten bruiloftsdag reeds schonk Simson zijn bruid, de boertzieke, ronkende of barsche gasten en zijn in-zieleangst-levende ouders, helder-gouden honing na den flonkerenden, maar troebelen schenkelwijn. Toen reeds was hem, al speelscher, door het hoofd gesprongen de gistende gedachte aan een dartelen raadselzin dien de etende en drinkende onbesnede-nen moeilijk konden oplossen, nu hij van zijn onmoed-willigen doodslag, zijn stout leeuwgevecht en van het geraamte-rif, driftig overwemeld van zwoegende bijen, niemand een woord gerept had. Al zijn ingevingen waren door den mond van den Eeuwige gesproken in zijn verborgen binnenste en door de Arke-cherubim, achter de tempelsluiers hem ingefluisterd.