82
Simson plots de schrikkelijke stem, het donderend brullen van een leeuw die uitgehongerd en blind-toornig op hem afsprong. Doch hij, Naziraeër, bij den Onnoembare, Schepper van hemel en aarde, onbevreesd voor alle-gebeuren-in-gevaar, levend-met-Jeho-vah, voelde een goddelijke bezieling in zijn roekeloos binnenst', die hem altijd bovenmenschelijke kracht schonk, als stond hij in een gouden harnas vastgeklemd. Geheel ongewapend stelde hij zich teweer, greep het monsterlijke dier bij den beschuimden vraatmuil en scheurde het kermend-brullende beest in ruk na ruk, tot ver over de bloedende schoften open. Toen, onbekommerd en mijmerend over d'ontvangst van de Philistijnsche maagd, liep hij gehaast weer verder, het geheele voorval vergetend, om kort na zijne ouders den dorpel van het lokkende en oogvurige meisje te bereiken. Niemand repte hij van zijn daad. Zoo stil en onoverwinlijk wist Simson zich onder het overwelfsel van zijn goddelijke kracht, in zijn geliefdheid bij d'Almachtige en het uitverkorenschap van zijn geslacht boven de Heidenen.
Bij Sichema's niet oirbaar liefdesspel en ongetemperde scherts over zijn manlijke stamkenteekenen, over haar vaders gesnedenen, ossen en ezelen, — soms louter prikkelende schendenis en wulpsche kwetsing,— verloor hij zelfs alle heugenisse aan het gebeurde achter de wijnbergen en de onbehouwen altaarsteenen. Doch toen de Naziraeër na dertig dagen terugkeerde te Thimnath, stond hij onwillens als verspieder weer