6i
geurige slaapvertrek van Sichema, — de overmeesterde en hem nu aanbiddende Philistijnsche bruid-vrouw, — zagen betreden, met spot en verachting in de melan-choliek-donkre oogen, om den zwijgenden mond een zacht-tergenden glimlach, dan stormde er een nauw-bedwingbare haat en moorddrift in de Dagon-mannen op en verlangden zij allen tezaam zich op den onbarm-hartigen held te werpen, hem te wurgen en open te rijten vóór Sichema's verbleekt schrikgelaat, gelijk hun roofbenden, verdwaalden in het gebergte Seïr besprongen.
Ook Simson, in de kalme zekerheid van zijn geweldplegende almacht, voelde zich in dit raadselachtige raadsel ongenaakbaar als op den besneeuwden Her-mon-top in God's erfdeel. Hoe zouden deze rustelooze Philistijnen, deze god lasteraars en schoffeerders, die allen toch iets bovenmenschelijks in hem vermoedden, ooit kunnen ontdekken welk avontuur hem had gelokt, bij zijn eersten zwerftocht naar Thimnath, op een steil, kei-rotsig dwarspad achter de wijnbergen, waar de Zwijnen de jonge druiven vernielden?
II
Het was de eerste keer waarop Zelalphonith en Manoach, naar Simson's verlangen, de Philistijnsche maagd, zonder gewin, gingen bezoeken. Op het dwarspad, in eenzaamheid, achter woest kreupelhout, zwaar-getwijgde wierookboomen, nabij hooge bergen, hoorde