79
lijk en keek hij soms gelijk een argeloos kind, — ontzetting en angst wekte, door zijn strooptochten tegen de Rephaïeten en tot het gebergte Basan, langs de Achterste Zee naar het zuiden; tot de Hethietische voorposten nabij Hebron; tot de valleien van Jericho ten oosten, wilde hen ook hier, als een ingelande, krenkend en rimpelend kleineeren met dwanggeboden. Want zij, die reeds al de kosten van het groote feest in onverborgen kommer droegen, moesten, zoo het beuzelachtig raadsel door hen niet wierd opgelost, dien lallenden stamheld uit Zoreah, met zijn overschaduwende mantelvlerken, bovendien praalkleedij en oppergewaden beschenken, man na man. Het genot van den dartelen roes, het gebruik van pot en krauwel scheen nu geslonken, gelijk smeulende asch waar nog slechts vonken hel in glommen.
— Eerst het raadsel... het raadsel... het vreeselijke, onbegrijpelijke raadsel dat zij nooit-in-der-eeuwig-heid zouden onthullen!... gilden in wanorde, de dol-wreede mannen elkaar toe met van-gram-verwrongen aangezichten. Eerst de verklaring, opdat de ongekloven Hebreeuwer getroffen wierd, mét zijn duivelsbezwering, in zijn nekheffenden trots en de krenkende uittarting zijner voorzienigheid. Telkens opnieuw ontrafelden zij, met opscherpend vernuft, zin en bedoeling: spijs kwam er van den eter en zoetigheid van den sterke... Zij peinsden en peinsden, doch het bleef gestronkel en ontslipping. Al dwazer en onbegrijpelijker dansten slinks de woordekens hen tegemoet