VIJFDE HOOFDSTUK
I
Op den derden dag van het jubelende bruiloftsmaal, bekoelde de buitensporige vreugderoes. Onder de felle, wreed-wraakgierige Philistijnsche krijgers-jongelingen en manschappen der stad, — Sichema's eerewacht, — scheen een vreemde strijd-razernij ontstaan over vele geheimzinnige woorden van het Simson-raadsel. Zij voelden brandenden hoon en kwaadwilligen spotlust van den Hebreeuwschen reus-met-het-leeuwenhoofd, in het stellen zijner tegenstribbelende, duistere rebus-taal, die zoo vaag klonk als verre karavaan-muziek. De rumoerige manschappen-der-stad hongerden allen naar een oplossing, doch ze martelden zich de hersens stomp; tevergeefs. Ook het bliksemen van in woede gezwaaide zwaarden, bracht geen verklaring, noch het malkander domme ezelen-drijvers uit het Mozes-dal schelden. De machtige Hebreeuwer uit Dan, de langarmige, met bovenmenschelijke kracht begaafd, die, — al glimlachte hij weieens zachtmoedig-