75
— Een raadsel? ... Een raadsel? ...
Maar Zelalphonith keek kalm en bevroedde dat het dreigende gebeuren, door Simson innerlijk weer was afgewend. Neen, nooit vergat haar zoon Jehovah,... Zoo bezon zij diep. En Naziraeër's moeder huilde stil binnenin, van geluk.
Toch bleef er bange, groeiende spanning onder de feestvierders. Was het bedriegelijk-geestig elkaar-raadsels-opgeven dan zoo iets bevreemdends? Heel Israël verhaalde en zong liederen of loste raadsels op, bij feestmaal-vreugde, tusschen dankoffers en gebed.
Doch niet het raadsel, maar de toon waarop Simson sprak, de sluw-sarrende zekerheid erin dat geen Phili-stijnen-brein het kon onthullen, bracht een gejaagde en vijandige verwarring en een gevoel van krenkende benauwing onder de gasten. Want Simson, met boven-menschelijke kracht beschonken, kon wel in zijn op-lossings-voorwaarde zulke vreeselijke dingen eischen. Daarom drongen zij saam in benauwdheid, als in een bergholte. Rondom wierd geschreeuwd in nieuwsgierigheid en drift, en als vlammengeknetter spatten de stemmen uit:
— Spreek ... vertel... gij geweldige hamer van Israël!
— Laat hooren!...
— O machtige Hebreeuwer,... sprak de opper-aanvoerder der dertig Philistijnen eerbiediglij k plots, met een hagelvlekkig-verbleekt gezicht,... wat stelt gij voor loon? Een goudenen krans? ...