76
In de stilte klonk, onder waaierpalmen nabij de poort, een herdersfluit.
Simson verklaarde, dat zij de gansche bruiloftsweek mochten gebruiken om de oplossing te vinden, bij lamp en toorts, bij regenboog en maneschijn. Onthulden zij het raadsel, zoo gaf hij aan elk der Philistij-nen cierwapenen, een onderkleed, een praalmantel. Onthulden zij het raadsel niet, dan moesten zij hém ieder een onder- en eererok begiftigen.
Onder de dertig beschermers waren de bezetensten die ook naar de hand der Philistijnsche maagd hadden gedongen. Een brandende wrok kroop ze in de keel, tegen den geweldigen Hebreeuwer, die hen in alles overtrof: in kracht, in heldenmoed, in geest en in vroomheid. Doch zou hij zóó in opscherpingen kunnen spreken en zoo verwikkeld-duister, dat zij in acht dagen niet een raadseltje vermochten op te lossen?
Van weerskanten wierden alderlei voorwaarden 1־ e-klonken. Simson opnieuw verrees van zijn ligbed. Het rood van zijn mantelrok bloedde donker in lampen-schaduw. Met een diepe, zachte stem, waarin een heimelijke tarting trilde, verkondde hij:
— Van den eter ontstond eten en van den sterke zoetigheid...
Meer sprak hij niet.
Zulk een kluchtig-krommen zin hadden de Philistij-nen nog nimmer gehoord. Zij bestaarden elkaar als wildvreemden. Speerspitsen bliksemden boven hun