II
en onreinheid noemen van het verachtelijke lichaam; een afval van het heilig Naziraeërschap, welke haar, onder smartelijke beleedigingen, deed spreken van Godsverraad. Zoo wilde zij ook eerst, in wanhoops-woede, geen stap verzetten naar Thimnatha. Het volk der Philistijnsche wroette in wulpsch bedrog en leugen, zwoel-uitputtend als een heete zuidenwind. Haar volk verspilde kracht in troebele waarzeggerij en in bijgeloof aan geheime hemelmachten. Dat beërfde het van Canaanieten en Israël's ontuchtige vermaagschap-ping met vijandige heidensche stammen, die op gezinsverbrokkeling en verontreiniging aasden; die houwbijl zwaaiden tusschen vader en kind. Daarom verachtte Zelalphonith bloeienden wijnstok, ranken en twijgen van Thimnatha en de Philistijnsche; weigerde zij het jammerlijk aanzoek te doen, uit naam van haar zoon, door goddelijk besluit als held van Israël verkoren. Doch Simson, van een dolzinnige woestheid, dreigde met de schrikkelijke driftoogen en zij gingen heen, hoofdgebukt, Manoach en Zelalphonith, sidderend onderworpen aan Simson's ontzettende kracht en dwangwil, al mijmerden zij vroom na:
— Bezaai geen akker met tweeërlei zaad!...
Er klonk tartende jubelvreugde in het huis van de maagd te Thimnatha, toen gehoord wierd dat de geweldige held, de man uit Dan, het Philistijnsche meisje tot vrouw begeerde. Dit gewin bracht meer dan gouden sikkelen, mompelde Sichema's vader. Ma-