347°
lingen,... maar in den droom-denkenden, mijmerenden Darius. Het is de architecturale veruitwendiging van een koningsbewustzijn, van den heersersgeest Darius. Niet de gedachten en herinneringen en meningen en ervaringen en 't studiemateriaal en de historise en menskundige inzichten van den auteur Querido, maar de volle psychise persoonlikheid, de volledige menselikheid van den tyran Darius, schept ons heel deze bonte wereld ....
Heel dat eerste boek Koningen is één machtige identificatie van modernen geest met antieken: één geweldige inleving en milieu-doordrenking. Onze geest ziet zich afgestemd op die wereld als een cello op een nieuw orkest, en zich gevende zal zijn eigen klank versmelten, zich verliezen in de machtige geluidsgolven van de grootse symphonie, om nu weer in unisone zich zeiven weer te vinden, en dan weer weg te zinken in opstormende harmonieën. Het is een psychise muziek die ook onze menselikheid tot uiting brengt, maar primitiever, kleuriger, voller, geweldiger. Doch te midden van dat alles groeit gestadig dit ontroerend besef: dat wij één zijn met die mensen der oudheid, dat wij dat zijn, dat wij, afgestemd op dat milieu, op dien tijd, zo zouden leven, zo en niet anders, zo zouden begeren, zo zouden handelen. En vanuit dat inzicht groeit dan een wijder: hoe wij in het moderne heden eigenlik diep-in nog diezelfde mensen zijn, primitief en hartstochtelik: instinct-gedreven. En met één slag opent zich dit wijde vergezicht? de door zijn hartstochten en driften in daad en droom voortgezweepte mens. Dat wat wij zijn, ook nu nog. Hoe wij begeren, elk voor zich en allen tezaam, allesoverstelpend begeren: te domineren, te heersen, koning te zijn, onze omgeving te knechten en te onderwerpen, neer te houwen en van ons weg te ranselen, of genadevol tot ons op te trekken, te liefkozen, sensueel te aanvaarden en heet te bezitten. Zo groeit de figuur van den tyran Xerxes als al-menselikheid, als de ziel van de grote en