343°
— Eeuwige... mijn Heer,... Uw knecht hebt gij goddelijke kracht geschonken, zich tegen een heel leger wreede aartsvijanden te verweren en ze in een vlucht-warreling op te jagen... Door Uw hand, Eeuwige, geschiedde die daad ... want alle menschen-kracht is schijn!... Maar nu, Heer,... moet ik nti uitgezwakt door een martelenden dorst die mij de keel verstikt en mijn ingewand afschroeit en mijn heele wezen laat versmachten, omkomen als een hond? ... Nergens één dronk water... Alles staat hier gloeiend uit te dorren in de blakerende rotshette... Ik ruik niets dan bloedwalm, stof en zweet van menschen en dieren ... Zal ik nu toch in handen der cnbesnedenen vallen, de schenners van Israël en van Uw heiligen naam? ... Zullen zij mij nu toch meesleuren naar Gath, naar Askalon? ... O, Aleeuwige, teedere Vader, ik roep U aan!... Red mij... red mij, Uw kind, krachtloos zonder Uw kracht... uit dezen helschen nood, zooals Gij mij altijd redde!... Ik bezwijk van uitputting ... o Heer, erbarm U!...
Simson, op de gewonde knieën, de trillende handen ten hemel geheven, met stoffig-besmeurd lichaam, met verwrongen en afgefolterd aangezicht, wachtte, het hoofd ingezonken als onder een vonnis. Zijn smeekstem was verklonken en een heilige stilte suisde over het hooge gebergte. Alleen het hongergekrijsch van roodgevlerkte aasgieren en roetglanzige raven boven verslagenen, doorsnerpte schril de doodenrust.
Toen begon plots een wonderlijk gemurmel en