344°
gebruis langs een kalksteenen rotsholte op te borrelen. Uit het neergeworpen kinnebak, dat onverhoeds vochtig blonk tusschen gebroken banieren en standaarden, sprong een klare sproeifontein. Simson, ontzet, hoorde het fijne droppelen-geruisch en doorleefde in een heerlijk ijl geluksgevoel, het wonder Gods.
Hij keerde zich om naar de plek van het vochtige ezelskinnebakken en hij zag dansende waterstralen in het zonnelicht gloeien. Zinneloos stortte hij zich op de bron en dronk, dronk zonder einde, tot zijn uitgebrand gehemelte alleen koelte voelde die zijn dorst eindeloos te lesschen scheen.
Met een snik dankte Simson den Eeuwige, die den smachtenden aanroeper opnieuw had gered uit zijn hevige benauwenis.
Na een pooze verrees Simson weer, ontzachlijk van gestalte, geheel verkwikt en van nieuwe levenskracht doorstroomd. Moest opnieuw een strijd begonnen? Klonken de jubelhoorns der Philistijnen weer?... Hij stond gereed en keek rond. Maar de Naziraeër bleef alleen op het slagveld, met zijn eeuwigen Heer Jehovah.
En in de stilte alom van het rotsgebergt' Etham, hoorde Simson God's heilig ademhalen.