342°
en hun nog een koen hart het bange lijf moest inblazen.
Met een ezelskinnebak Heb ik rondgeslagen. Met een kaakbeen sloeg ik Duizend Philistijnen neer...
Maar bloednevelen brandden en flakkerden voor zijn befloerste oogen.
Toen stak een koortsgedachte hem priemend door het hoofd. Kwam hij niet al te hoovaardig zichzelf te verheffen in zijn overwinningszang, in zijn juichroes, zonder den Eeuwige te eeren, die toch het kinnebak scherper dan ijzer en staal had doen zijn? ...
— Ik heb duizend man geslagen ...
En de Heer zijn arm dan?... De Eeuwige zijn hand? .. ,
Dit zanggejuich krenkte zijn wroegende ziel. Nu waggelde de Naziraeër en zonk ter aarde, zwak, benard, in doods-uitputting en weeklachtelijk. Hij dacht te bezwijmen. Nergens een dronk, nergens een schepsel! Alleen bloed ... bloed van vijanden!...
—Water!... Water!... Ik stik... ik sterf!... kermde hij. En in een wreede vlaag van waanzin wilde hij zichzelf wurgen. Toen zag hij plots Zelalphonith's angstblik en hij liet af... Al vreeselijker martelde de dorst zijn heele wezen tot vuur. Zou hij nu toch in handen der plunder-Philistijnen vallen? Plots, in hartedrang, richtte hij zich tot God en riep Hem aan, met milde en snikkende overgave: