352°
IV
De zon laaide vlammen uit over Ramath-Lechi's afgewrocht slagveld en Simson versmachtte in over-gloeiende hette. Een brandende koortsdorst schroeide zijn uitgedroogd gehemelt. Nog ijlde de Naziraeër in wilde overspanning na:
Met de ezelskaak
Heb ik duizend man verslagen ...
Maar zijn stem smoorde in zijn dorren strot en zijn adem stokte. Een allerhevigste beving omgreep al zijn ledematen. Simson duizelde en voelde zich verslonden door licht en hette. In menschelijke zwakheid kreunde hij smeeklijk:
— Water!. .. Water!...
Maar nergens nabij de uitstekende rotspunten, de steile paden, bergruggen, doorn-holen en krochten, was put, beek of bron te zien. En ook geen Judaeër trad den overwinnaar tegemoet, blazend op koperen bazuin. Ten oost en west, in de hoogte en in de diepte, kale kalkmuur, woest rotsgesteente en rotsbodem, Zoo ver hij aanschouwde. Wankelend zonk Simson neêr op zijn knieën, vlak nabij de plek waar hij het reusachtig ezelskinnebak had weggeworpen. In hem zong ijlend van binnen het overmoedige lied van den man die gansch alleen had gestaan tegen zijn vijanden