338°
in de geraderde strijdkarren van tegen elkaar instormende reuzen. Voor zich uit bleef de razend-vermetele Simson flikkerende schilden en glanzende bogen, lansen en zwaarden versplinteren, en al ver-nielender drong hij door de liniën heen. Zijn allergeweldigste slagen deden de boogschutters en strijd-bijl-zwaaiers verzwikken en gewond, gillend achter-overtuimelen en wegzinken in een drab van zwarten rood-ro:kend bloed. Hoog met de leeuwenschouderen boven de huiverende en panisch-verdwaasde strijders uit, in een warreldamp van glinsterend stof en heet gruis, scheen Simson's lichaam ongenaakbaar. Gelijk het benzen op poorten, met disselboomen opengestooten, zoo dreunde de rotsgrond van zijn bezetene stappen, als hij plots zich wendde en tusschen de drommen inrende.
Ontzetting en verwarring grepen al verder onder de horde-achtige scharen om den almachtigen dooder, en de Philistijnsche aanvoerders over duizend en honderd, stonden zelf verdoofd, bestookt en machteloos van hevigen schrik tusschen de terugfluitende pijlen en de afketsende slingersteenen. Simson's verschijnen en verslaan verlamde allen, onder hartscheurend geweeklaag en noodkermen. Want, — wisten zij, — hij liet reeds sneuvelen met zijn boozen blik. De schutters, tegen rotsen opgedrongen of wankelend boven afgronden, konden hun pijlen niet meer richten in de verengde ruimte; de zwaardzwaaiers hun ijzeren zwaarden niet meer neerkletteren; de lanswerpers hun