337°
windvaart, verpletterend van kracht, rond. Hij scheen van vuur en splinterend licht — dat speelsch om wapenen flitste, — geheel omhuld. Met zijn rechterhand greep allerbehendigste Simson-in-dwarrelstof, steigerende, snerpend-hinnikende en trampelende paarden, die brieschend borstna tegen hem opdrongen, bij teugels, juk of overschuimd gebit en slingerde ze een afgrond in, en met zijn linkervuist verminkte of doodde hij man na man, onder het brekende geweld hunner schilden en hoogopgeheven zwaarden, kolven en helmen, van paars en zwart bloed en zweet besmeurd.
De krijgsknechten, jammerend van angst, tuimelden en rolden over malkander heen, gewond en schreeuwend, langs steile wanden de rotsdiepten in, terwijl één tel hun koperen scheenplaten wreed naflikkerden in den val. Van de valleivlakte uitvermochten, op den loodrecht-rijzenden bergkam, de vernielzuchtige wagenmenners met de straalblinkende helmen en wapperpluimen, niet te naderen. Een vreeselijke paniek brak nu door al de gelederen heen. Als een moordende god, onkwetsbaar, bijna ganschelijk naakt onder het geflapper van zijn roodkorten rokmantel, hieuw Simson met droog-verwrongen mond, blind tusschen de omcinge-lende en dan weer vluchtende knotszwaaiers en drommen lanswerpers, zich een doortocht. Geen macht weerstond zijn leven-wegmaaiende aanvallen met het scherpgepunte kaakbeen. Zulk een daemo-nisch uitroeier, zulk een wrekers-gestalte hadden zij nog nimmer in een gevecht zien opdoemen, zelfs niet