339°
lansen niet meer fluitend door de lucht suizen. Simson begoochelde allen, en telkens weer stond hij door een deinend kluwen van vijanden omringd, die hun speerspitsen snijdend en vonkenspattend tegen elkaar stieten, hun bogen kromkrulden, zoodat zij zichzelven wankelend wondden aleer Simson eenig letsel bekwam.
De Hebreeuwer in zijn bovenmenschelijke krachtstuwing, een wonder Jehovah, van zichzelf zeker door den verbij sterenden chaos dien hij schiep, zong zelfs in den strijdbrand een uitdagend spotlied met dreunend-loeiende stem, op zijn vlijmscherp en dof-suizend wapen, het ezelskinnebakken, waaronder al zijn vijanden neerstortten. Hij wierp al sneller op he: rhythmus van zijn heldendrift, van pieken en steilste rotswanden, krijgers en doloogig-geschrikte rossen in de diepte, en van verre stonden de Judaeërs verstomd van ontzetting, te staren op het alvernielend moordgewoel.
Plots uit de verte klonken er trompetachtige juichkreten weer van de jeugdige Hebreeuwers, om zulk een vermetelheid, om zulk een verpletterings-woest-heid van één blind-machtig schepsel tegen een gewapend heir van duizend en weer duizend man.
Rapha, door Simson niet herkend, was bij den eersten stormaanloop reeds geveld tusschen de stervende knotszwaaiers, lei stom-neergehouwen onder de verslagenen, met de laatste gedachte aan den Na-ziraeër dien hij groot-in-zichzélf terug had gezien. Over elkaar heen stapelden zich lijken en zwaarge-